Akte 1 – Volmacht van de schipper
Amsterdam, 18 september 1655
Op 18 september 1655 verscheen voor notaris Hendrik Schaaff te Amsterdam de eerzame Pieter Alberts van Harlingen. Hij stond op het punt te vertrekken als schipper naar Oost-Indië met het schip De Vergulde Draeck.
Hij verklaarde dat hij hierbij op de meest volledige en rechtsgeldige manier volmacht verleent aan zijn vrouw Aeltgen Cornelisdochter. Zij mag namens hem al zijn zaken beheren, verdedigen, uitvoeren en afhandelen, zowel binnen als buiten rechte. Zij mag onderhandelen, vereffenen, akkoorden sluiten, schikkingen treffen en zich onderwerpen aan arbitrage.
Zij mag namens hem kopen, verkopen, overdragen, schulden innen of kwijtschelden, erfenissen en nalatenschappen beheren en alle inkomsten opeisen en ontvangen. Tevens mag zij betalingen doen en gelden uitzetten tegen rente.
Ook is zij bevoegd om een wisselbrief ter waarde van 360 gulden te innen, die aan Pieter Alberts is verleend door de gouverneur-generaal en raden van Oost-Indië.
Zij mag hiervoor alle noodzakelijke akten en documenten ondertekenen en voor alle rechtbanken namens hem optreden, zowel eisend als verwerend. Zij mag de volmacht zelfs doorgeven aan anderen (substitutie).
De akte werd verleden in aanwezigheid van de getuigen Johannes Henricxsz Clerq en Willem Oostendorp.
Akte 2 – Ooggetuigenverslag van de schipbreuk
Amsterdam, 3 januari 1660
Op 3 januari 1660 verscheen voor notaris Justus van de Rechten de 36-jarige Jacob Jochemsz, bierdrager, wonend aan de Elandsgracht. Hij verklaarde op verzoek van Annetje Willems, weduwe van Dirck Fransz Swaij, het volgende.
Op 4 oktober 1655 was hij als botteliersmaat uitgevaren met het schip De Vergulde Draeck. Tijdens de reis liep het schip, op de breedte van 31°10' zuiderbreedte, bij het zogeheten Zuidland (de westkust van Australië), in de nacht rond twaalf uur op een blinde klip. Het schip verging en zonk.
Hierbij verdronken 118 personen. 75 personen bereikten levend de kust. Onder de verdronkenen bevond zich Dirck Fransz Swaij, die als adelborst op hetzelfde schip diende. Swaij werd niet teruggevonden onder de overlevenden of als aangespoeld lichaam. De getuige hielp persoonlijk bij het zoeken en het uitdelen van rantsoenen, en verklaart dat Swaij zeker moet zijn verdronken.
Een kleine scheepsboot spoelde aan land. Vijftien mannen wilden daarmee proberen Batavia te bereiken, ongeveer vierhonderd mijl verderop. Na loting vertrokken zeven mannen: Myndert de Stuerman, Philip Hansz, Willem Jacobsz, Hendrick Jansz, Hendrick Jansz van Muntersiel, Robbert Jansz en de getuige zelf.
Na negen dagen op het strand bij de overlevenden te hebben doorgebracht, vertrokken zij. Na 31 dagen op zee kwamen zij aan in Batavia. Daar werd melding gemaakt van de schipbreuk en werden meerdere reddingstochten uitgezonden: het jacht De Hoop, de fluit De Witte Valk, en later nog twee schepen. Geen van deze expedities vond de achtergebleven groep terug.
In Oost-Indië werd het algemeen als zeker beschouwd dat de achterblijvende personen door gebrek zijn omgekomen.
De akte werd gepasseerd in aanwezigheid van Jeremias Poysz en Elias de Molenaer.
Akte 3 – Verklaring over overlijden scheepsjongen
Amsterdam, 9 augustus 1660
Op 9 augustus 1660 verschenen voor notaris Jan Volkertsz te Amsterdam de getuigen Jacob Jochemsz (ongeveer 78 jaar oud) en Willem Jacobsz (ongeveer 48 jaar oud).
Zij verklaarden op verzoek van Teunis Teunisz Jorden dat zij in 1655 met het schip De Vergulde Draak naar Oost-Indië waren uitgevaren. Op dat schip voer ook diens zoon, eveneens Teunis Teunisz Jorden geheten, als scheepsjongen.
Toen het schip in de omgeving van Duivelsland (de westkust van Australië) kwam, verging het. De jonge Teunis verdronk en bereikte nooit levend de kust. Dit verklaren zij zonder bedrog.
De akte is verleden in het huis van de notaris, in aanwezigheid van Johannes Olier en Johannes Lynslager. De getuigen plaatsten hun merktekens. De akte is bevestigd door notaris Jan Volkertsz en mede ondertekend door J. Linslager.